

De techniek die ons leven draagt, verdwijnt achter panelen, in kasten, in apps. Een aan-uitknop is vaak alles wat overblijft.
Zo ook bij verwarmen. Vroeger stond de kachel midden in de ruimte en moest iemand het vuur brandend houden.
Nu tikken we op een scherm en wordt het ergens warm. Handig, maar we weten niet meer wat er gebeurt.
‘Waar je geen relatie mee hebt, daar denk je niet meer over na’.
De betonkachel is daar het omgekeerde van. Hij staat midden in de kamer en verstopt niets.
Je legt het hout erin, steekt het aan en ziet de vlammen. Daarna voel je het beton warm worden, en nog uren warmte afgeven als het vuur al gedoofd is. Oorzaak en gevolg liggen open op tafel.
Zo kun je je tot de kachel verhouden: in de beleving van je eigen vuur, en in de werking die je kunt volgen. Hij vraagt iets van je en geeft daar iets voor terug.
Die moeite is geen gebrek in het ontwerp. Het is de bedoeling. Juist de handeling geeft voldoening.
Mijn ontwerpen beginnen zelden bij een product. Ze beginnen bij gedrag: hoe mensen dingen doen, en waarom.
Bert Haanstra liet dat in zijn documentaires zien. Hij zette de camera neer en keek naar mensen die gewoon hun dag doorkomen. Van een afstand wordt het vanzelfsprekende ineens vreemd, en vaak grappig.
Wie zo een stap terug doet, ziet één drijfveer achter onze vooruitgang: comfort ten koste van alles.


Toen de mens vuur ging gebruiken om zich te verwarmen, werd een schuilplaats een plek om te blijven.
Die band is oud en niet verdwenen. Zet mensen bij een vuur en ze gaan zitten en kijken. Ik heb die fascinatie zelf, en zie haar bij bijna iedereen die bij de kachel komt staan.
Een thermostaat raakt dat niet.
Een vuur wel.
Als alles van één systeem afhangt, staat alles stil zodra dat hapert. Een vol elektriciteitsnet, een storing, een koude week. Dan merk je hoe weinig je zelf nog in handen hebt.
Zelfredzaamheid wordt daardoor belangrijker, juist als het tegenzit. De kachel werkt zonder stekker. Geen hout, geen vuur. Geen vuur, geen warmte.

De betonkachel werd voor het eerst getoond in 1999 bij Galerie Binnen, op de tentoonstelling ‘Een alledaags pleidooi’. Die titel klopt nog steeds: een pleidooi voor dingen die je begrijpt omdat je ze ziet werken.
Daarna volgden publicaties in tijdschriften, een aankoop door Museum Boijmans Van Beuningen en enkele honderden verkochte kachels.
Nu is hij terug in de werkplaats waar hij begon. Ik maak hem weer zelf en breng hem zelf naar de mensen die ermee gaan leven.
Een kachel die laat zien hoe hij werkt, hoort te komen van iemand die weet hoe hij gemaakt is.
De betonkachel werkt anders dan een gewone stalen houtkachel. Een stalen kachel geeft warmte af zolang het vuur brandt, en koelt snel af als het uitgaat.
De betonkachel slaat de warmte op in een zware betonnen mantel en geeft die daarna geleidelijk af aan de ruimte.
De betonkachel is een accumulerende houtkachel. Dat betekent dat de warmte van het vuur niet direct de kamer in gaat, maar eerst wordt opgeslagen in een warmtedrager. Bij deze kachel is dat de mantel van vuurvast beton.
Beton kan veel warmte opnemen en geeft die langzaam weer af. De kachel weegt in totaal 350 kg, en die massa werkt als buffer tussen het vuur en de ruimte.
Dit heeft twee gevolgen:


Als de betonmassa ‘vol’ is met warmte, blijft de kachel warmte afgeven, ook als het vuur een tijd uit is. Na het doven van het vuur geeft het beton nog ± 5 uur warmte af.
In de praktijk betekent dit dat de temperatuur in de ruimte niet direct daalt als het vuur uitgaat. Je hoeft het vuur dus niet de hele dag brandend te houden om het warm te houden.
Hoe lang en hoeveel warmte de kachel precies afgeeft, hangt af van hoe lang er gestookt is, de grootte van de ruimte en hoe goed die geïsoleerd is.
Combinatie met andere verwarming
Dit maakt de kachel geschikt als aanvulling op een bestaand verwarmingssysteem, zoals een warmtepomp of cv. Je stookt op de momenten dat je extra warmte wilt.
In een eenvoudige houtkachel gaan de hete rookgassen vrijwel direct de schoorsteen in, en daarmee verdwijnt een groot deel van de warmte naar buiten.
De betonkachel leidt de rookgassen eerst door een labyrint in de kachel. Daardoor leggen ze een langere weg af en blijven ze langer in contact met de betonnen mantel. In die tijd geven ze hun warmte af aan het beton.
Het resultaat: meer van de warmte blijft in huis.
Dit draagt bij aan het rendement van 86%.
Omdat de opslag in het beton de warmte vasthoudt, hoeft het vuur niet te smeulen. Tijdens het stoken brandt het vuur juist intensief, met voldoende luchttoevoer.
Een hete verbranding met genoeg zuurstof is vollediger. Er blijven minder onverbrande gassen en deeltjes over, en dat betekent minder rookvorming.
Smoren, het vuur laag laten branden met de lucht dicht, werkt dus averechts. Het levert minder warmte op en meer uitstoot.
Of de verbranding echt schoon is, hangt ook af van de brandstof en de manier van aansteken:

De stookbak, de ruimte waarin het vuur brandt, is geïsoleerd. Daardoor blijft de temperatuur in de stookbak hoog, ook als het vuur bijna uit is.
Dat heeft twee voordelen:
• Doordat de stookbak geïsoleerd is, blijft er meer warmte rond de vuurhaard. Dat zorgt voor een optimale verbranding.
• Makkelijk opnieuw aansteken. Nieuw hout op een warm asbed slaat snel aan. Zo ontbrandt het hout weer vlot, met weinig rook bij het opstarten.

De as blijft in de stookbak liggen en helpt daar mee om het vuur goed te laten branden. Na een periode van gebruik moet de stookbak wel worden leeggeschept.
Hoe vaak dat nodig is, hangt af van onder meer de houtsoort en het stookgedrag. In de meeste gevallen is het pas nodig na ± 1,5 tot 2 kuub verstookt hout.
Eens per jaar moet de kachel van binnen worden schoongemaakt. Daarvoor zit aan de achterkant een goed bereikbaar veegluik.
Het advies is om dit te combineren met het jaarlijks vegen van het rookkanaal. Dat vegen is voor de meeste brandverzekeringen een vereiste.
Knoevenoordstraat 80
6964 BK Hall
dick@vanhoffontwerpen.nl
Meer werk van Dick ontdekken?
bezoek vanhoffontwerpen.nl